 

Control Panel

Het Control Panel cordineert een aantal kleinere programma's,
ook wel Control Panel-extensies of CPX genoemd. Het Control Panel
toont de namen van alle geladen CPX-programma's. U opent een CPX
door er een dubbele klik op te geven.

Het Control Panel bevat ook een Options-menu. Als er geen CPX is
gekozen, toont dit menu twee opties: About en Setup. Als er wel
een CPX is gekozen, dan ziet u ook de opties Open CPX, CPX Info
en Unload CPX.

U kiest een optie door de muiswijzer op het Options-menu te
plaatsen en daarna op de gewenste optie te klikken. Geef een
dubbele klik om de optie te kiezen.

In een Control Panel of CPX-venster kunt u meestal kiezen uit de
opties Save, OK of Cancel. Het klikken in de close-box komt
overeen met het klikken op OK en het sluiten van het Control
Panel.

Klikt u op Save, dan wordt de huidige instelling in een bestand
op de opstartdisk opgeslagen. De computer leest dit bestand
tijdens het opstarten en laadt de opgeslagen instelling.

Klik op OK als u de instelling slechts voor n bewerking wilt
veranderen. Het Control Panel-venster wordt dan gesloten en de
wijziging blijft geldig tot u de computer uitschakelt. Als u hem
weer inschakelt, dan wordt de laatst opgeslagen instelling
actief.

Via Cancel keert u terug naar het hoofdvenster van het Control
Panel.

About...

Met de optie About, kunt u informatie over het Control Panel
(zoals het versienummer en de copyright gegevens) opvragen.

Setup...

Gebruik het dialoogpaneel Setup voor het veranderen van de CPX-
status (actief/inactief), het opnieuw laden van een CPX zonder
opnieuw opstarten van de computer, het bepalen van de hoeveelheid
geheugen die wordt gereserveerd voor basis CPX-informatie en het
opgeven van een CPX-padnaam. Met de ingebouwde kalender en klok
kunt u de datum en de tijd instellen.


Datum en tijd

De computer gebruikt de datum en tijd om bij te houden wanneer
bestanden werden aangemaakt of bijgewerkt. Dit komt met name van
pas als u wilt weten met welk bestand het laatst gewerkt is.
De klok kan worden ingesteld op een 12-uurs of een 24-uurs
tijdaanduiding. Deze instelling is overigens niet van invloed op
de tijdaanduiding van de opgeslagen bestanden, maar geldt alleen
voor de klok in het Control Panel.

Het instellen van de klok of kalender gaat als volgt:

1. Open het Control Panel en klik op de tijd- of op de
datumaanduiding.

2. Druk op [pijl naar links] om de cursor in het venster te
verplaatsen, of druk op [Backspace] of [Esc] om het venster te
wissen. [Backspace] wist de tekens in het venster n voor n en
[Esc] wist de gehele inhoud van het venster.

3. Tik de juiste tijd of datum in.

4. Klik op de nieuwe tijd of datum.

Voor het wijzigen van de 12- of 24-uurs tijdaanduiding plaatst u
de cursor in het kader rechts naast het woord Time. Dan
verschijnen beide opties. Klik op de gewenste optie, zodat hij
wordt geaccentueerd en klik er dan nogmaals op.

Status van CPX wijzigen en CPX laden

Alleen actieve CPX-programma's worden tijdens het opstarten
geladen en verschijnen in het Control Panel-venster. Als u een
inactieve CPX wilt gebruiken, kunt u de status van die CPX
omzetten van inactief naar actief. Daarna kiest u de functie voor
het laden van een CPX, waarna de geactiveerde CPX in het Control
Panel verschijnt.

Het is ook mogelijk een CPX te verwijderen door de status van die
CPX te wijzigen van actief in inactief.

Voor het wijzigen van de status van een CPX gaat u als volgt te
werk:

1. Open het Control Panel en kies de Setup-optie uit het Options-
menu.

2. Kies de functie voor het wijzigen van CPX-status. Dan volgt
het bijbehorende dialoogpaneel.

3. Plaats de muiswijzer op de gewenste CPX en klik erop. De CPX
wordt geaccentueerd en de betreffende bewerking verschijnt in de
status-box

N.B.: Het is mogelijk via n handeling de status van meerdere
CPX-programma's te wijzigen. Kies die programma's met behulp van
een elastisch kader of via Shift-klikken. Het elastisch kader
verschijnt niet als zodanig in het venster, maar de werking is
wel hetzelfde.

4. Voer de bewerking uit door in de status-box te klikken.

Als u de status van een CPX hebt gewijzigd moet u die CPX opnieuw
laden voordat hij kan worden gebruikt. Dat gaat als volgt:

1. Open het Control Panel en kies Setup in het Options-menu.

2. Kies de functie CPX laden en klik vervolgens op OK in het
dialoogpaneel.

Geavanceerde Setup-opties

Twee geavanceerde Setup-opties bepalen het aantal slots en de
CPX-padnaam. U zult deze opties waarschijnlijk weinig gebruiken.

Minimum aantal slots

Een CPX wordt opgeslagen in een extern geheugen (op hard disk of
diskette). Tijdens het opstarten en laden wordt alleen de
basisinformatie over elke actieve CPX (zoals de naam en de ikoon)
in het RAM geladen. Pas na het openen van een CPX wordt de rest
van het bestand in het RAM geladen en kunt u het programma
gebruiken. Bij het sluiten van een CPX wordt het bestand weer uit
het RAM verwijderd.

N.B.: CPX-programma's met de status "resident" worden tijdens het
opstarten wel naar het RAM gekopieerd.

De MEGA STE computer moet weten hoeveel RAM hij moet reserveren
voor basisinformatie over CPX-programma's. Als u het minimale
aantal slots instelt, geeft u aan dat de computer voldoende RAM
moet reserveren om de basisinformatie van dat aantal CPX-
programma's op te slaan. Als tijdens het opstarten het aantal
actieve CPX-programma's het minimum aantal slots overschrijdt,
reserveert de computer automatisch genoeg RAM voor dat grotere
aantal. U kunt minimaal 5 en maximaal 99 slots opgeven.

U wijzigt het minimum aantal slots als volgt:

1. Open het Control Panel en kies Setup in het Options-menu.

2. Gebruik de scroll-pijlen om het gewenste aantal slots te laten
verschijnen en klik dan op OK of op Save.

CPX padnaam

De CPX padnaam geeft aan waar het Control Panel de CPX-bestanden
moet zoeken. Als u alle CPX-bestanden in n folder opslaat, dan
hoeft u alleen maar een pad naar die ene folder in te stellen.
Verdeelt u de CPX-bestanden echter over verschillende folders,
dan moet u een padnaam instellen naar de directory met CPX-
bestanden die u wilt gebruiken.

N.B.: Als de padnaam niet in het kader past, gebruik dan de
scroll-pijlen naar links en naar rechts om de verborgen gedeelten
van het pad zichtbaar te maken.

Het wijzigen van een CPX padnaam gaat als volgt:

1. Open het Control Panel en kies Setup in het Options-menu.

2. Klik op een willekeurige plaats in het kader voor de padnaam.
Dan verschijnt de File Selector.

3. Gebruik de File Selector om een nieuw pad te kiezen. Als u een
directory opent, wordt de padnaam toegevoegd aan de directory-
regel in het venster. Als het juiste directory-pad wordt
weergegeven, klikt u op OK. Het nieuwe pad verschijnt op de regel
voor de CPX padnaam.

Open CPXs...

U opent een CPX door die in het Control Panel te kiezen en daarna
de optie Open CPXs... in het Options-menu te kiezen. Een andere
methode is een dubbele klik op de naam van de CPX in het Control
Panel.

CPX Info...

Als u een CPX kiest en vervolgens op de optie CPX Info... uit het
Options-menu klikt, dan verschijnt een Info-venster met de CPX-
naam, het versienummer, het ID-nummer en de Resident/Non Resident
status.

De CPX-naam is de naam waaronder die CPX is opgeslagen. De versie
en de ID zijn toegewezen door de CPX-programmeur. Verschillende
versies van dezelfde CPX kunnen dezelfde ID hebben. In dit geval
wordt alleen de meest recente versie geladen. Als u verschillende
versies van eenzelfde CPX hebt, dan geeft het versienummer aan
welke de meest recente versie is.

Met de optie Configure CPXs (zie ook "CPX configureren") kunt u
de Resident/Non Resident status van een CPX wijzigen. Voor de
meeste CPX-programma's zult u de status "Resident: No" instellen.
Het grootste deel van het programma wordt dan op hard disk of
diskette opgeslagen en wordt alleen in RAM ingelezen als u de CPX
opent. Als u een CPX echter heel regelmatig gebruikt, dan is het
raadzaam daaraan de status "Resident: Yes" toe te wijzen. Een CPX
met die status wordt bij het opstarten van de computer meteen in
het RAM opgeslagen en blijft beschikbaar tot u de computer weer
uitschakelt. Residente CPX-programma's werken weliswaar iets
sneller, maar ze nemen een grote hoeveelheid RAM in.

N.B.: Nadat u de status van een CPX het gewijzigd moet u de
computer opnieuw opstarten om de wijziging actief te maken. U
kunt een CPX alleen in het RAM installeren tijdens de opstart-
procedure.

Unload CPX...

De optie Unload CPX... wijzigt maakt een CPX niet inactief, maar
verwijdert deze gewoon uit de lijst in het Control Panel. Via de
functie CPX laden kunt u het programma weer aan die lijst
toevoegen.

N.B.: Een CPX met de Yes-status voor resident kan niet uit de
CPX-lijst worden verwijderd met de optie Unload CPX.


CPX-programma's

In het onderstaande gedeelte worden de verschillende CPX-
programma's omschreven die op uw computer zijn genstalleerd.

Window Colors

Met Window Colors kunt u verschillende kleuren (afhankelijk van
de gekozen resolutie) toekennen aan de verschillende onderdelen
van de desktop-vensters. U kunt een kleur toewijzen aan elk van
de 15 elementen in het actieve venster en aan 5 elementen in
inactieve vensters.

Het kleurenpalet van uw MEGA STE computer bevat voor de meeste
resoluties 4096 kleuren. Het hangt van de gekozen resolutie af
hoeveel kleuren tegelijk op het scherm kunnen worden weergegeven
(van 2 tot 16). Met het CPX-programma Color Setup kunt u uit de
beschikbare kleuren een eigen kleurenpalet samenstellen. Zie ook
"Kleuren instellen". U kunt uiteraard ook het kleurenpalet
gebruiken dat in de fabriek is samengesteld of met behulp van de
functietoetsen [F1] t/m [F10] een van de andere ingestelde
kleurenpaletten kiezen. 

U kunt voor elk vensterelement vier opties kiezen. In het kader
achter "Border" kiest u de kleur voor de smalle rand om elk
vensteronderdeel krijgt. Bij "Text" kiest u de kleur van de tekst
of ikoon (zoals in de full-box) die in het gekozen
vensteronderdeel verschijnt. U gebruikt de optie Fill om een
achtergrondkleur of -patroon te kiezen. Als u een patroon kiest,
verschijnt dat in de gekozen kleur.

Via de Mode-box kunt u het achtergrondpatroon in- en
uitschakelen.

Als u kleuren hebt toegewezen aan actieve vensterelementen en
deze vervolgens opslaat met Save of OK, gelden deze kleuren voor
het volgende venster dat u opent. Vensters die al open waren
worden niet afgebeeld in de nieuwe kleuren.

Kies voordat u kleuren gaat toewijzen het kleurenpalet dat u wilt
gebruiken. U kunt het systeemgekozen kleurenpalet gebruiken dat
bij aflevering al is ingesteld, een ander ingesteld kleurenpalet
kiezen via de functietoetsen [F1] t/m [F10] of zelf een
kleurenpalet samenstellen met de daarvoor bestemde functie.

Wijs nu als volgt kleuren aan een actief of inactief venster toe:

1. Kies het vensteronderdeel waarvoor u een kleur wilt bepalen.
Dat onderdeel wordt geaccentueerd met een kader.

2. Klik en sleep de scroll-boxen om bij Border, Text en Fill de
kleur voor het onderdeel te bepalen. Kies eventueel ook een
patroon.

3. Kies de gewenste modus en herhaal de stappen 1 tot en met 4
tot u alle gewenste kleuren ingesteld hebt.

4. Klik op Save om de nieuwe kleuren permanent op te slaan of
klik op OK om de huidige kleuren te gebruiken tot u de computer
uitschakelt (als u de MEGA STE weer opstart verschijnen de laatst
opgeslagen kleuren weer). Klik op Cancel om Window Colors te
verlaten en terug te keren naar het Control Panel-menu (er worden
dan geen wijzigingen opgeslagen).

Color Setup

Afhankelijk van het type monitor dat u gebruikt en de
schermresolutie die u hebt gekozen, kunnen tot 16 kleuren
tegelijk op het scherm worden afgebeeld. U kunt een keuze maken
uit een palet van 4096 beschikbare kleuren (behalve bij ST High
resolution, dat alleen voor monochrome monitoren bestemd is).

Met Color Setup stelt u het kleurenpalet voor de vensterkleuren
samen. Zie ook "Window Colors".

U kunt zich de 4096 kleuren voorstellen als een verzameling
inkten met verschillende kleuren, verdeeld over zogenaamde
kleurenbanken. Onder "Color" worden maximaal 16 kleuren
weergegeven. Het aantal kleuren in een bank komt overeen met het
aantal kleuren dat met de ingestelde resolutie tegelijk op het
scherm kan worden weergegeven. Het aantal kleuren dat bij de
gekozen schermresolutie tegelijkertijd kan worden weergegeven is
het kleurenpalet.

Als u door de verschillende banken scrollt, worden deze
weergegeven in de Bank weergave-box. Elke bank bevat 2, 4 of 16
kleuren, afhankelijk van het aantal kleuren dat in de door u
gekozen resolutie op het scherm kan worden weergegeven.

Wilt u een bank wijzigen om er andere kleuren in op te nemen, ga
dan als volgt te werk:

1. Gebruik de scroll-balk voor kleurenbanken om door de
beschikbare banken te scrollen (indien beschikbaar in de gekozen
resolutie). Kies de bank met de verzameling pennen die het meest
overeenkomt met het door u gewenste kleurenpalet.

2. Kies de pen die u wilt wijzigen door de muiswijzer op de
gewenste pen te plaatsen en te klikken, of kies de pen via de
scroll-balk. Om de gekozen pen verschijnt een zwart kader. 

3. Gebruik de scroll-balken voor de kleurinstelling om de kleur
van de gekozen pen te wijzigen. U wijzigt de percentages rood,
groen of blauw om de kleur van de pen aan te passen.

Herhaal de stappen 3 en 4 voor elke pen die u wilt wijzigen.

4. Als u tevreden bent met het resultaat, kunt u Save kiezen om
dit kleurenpalet permanent op te slaan, OK om dit kleurenpalet te
gebruiken tot u de MEGA STE uitschakelt (als u de computer weer
inschakelt verschijnt het laatst opgeslagen kleurenpalet) of
Cancel om de CPX Color Setup te verlaten en terug te keren naar
het Control Panel-menu (er worden dan geen wijzigingen
opgeslagen). Kies Reload om terug te keren naar de laatst
opgeslagen systeemwaarden. Als u terug wilt naar de banken met de
bij aflevering ingestelde kleuren, druk dan op [Clr Home].

N.B.: Wilt u de laatste bank herstellen in de staat waarin hij
was voordat u wijzigingen aanbracht, druk dan op [Undo]. Klik op
Reload om alle banken te herstellen.

Configure CPXs

Met Configure CPXs kunt de naam van CPX-programma's en de kleur
van tekst en ikonen wijzigen en ook de Resident-status aanpassen.

Voor het configureren van een CPX moet u eerst op de naamregel de
naam van dat CPX-programma opgeven. Gebruik de scroll-pijlen naar
links en naar rechts om door de lijst te scrollen.

In het venster Configure CPXs staat de cursor al aan het einde
van de naamregel. Druk op [Esc] om de gehele regel te wissen of
op [Backspace] om de naam teken voor teken te wissen. Tik
vervolgens de nieuwe CPX-naam in.

Als u de kleur van tekst of ikonen wilt wijzigen, maak dan met
behulp van de scroll-pijlen een keuze uit een van de 16
beschikbare kleuren. De naam en de ikoon op de naamregel worden
steeds weergegeven in de kleuren die u kiest.

Tevens kunt u in dit venster de resident-status opgeven. Plaats
de muiswijzer op de RAM resident-box en klik erop. Verplaats de
muiswijzer om de gewenste status te accentueren en klik nogmaals
om die optie op te slaan.

Als u tevreden bent met de instellingen, klik dan op OK of Save.

N.B.: De instelling van de RAM resident-status is alleen van
invloed tijdens het opstarten en als u de resolutie wijzigt.

General Setup

Met het CPX-programma General Response kunt u de respons- en
repeteersnelheid van het toetsenbord instellen, evenals de
klikrespons van de muis en het gebruik van geluidssignalen. Het
programma dient bovendien voor het in- en uitschakelen van de
optie CPU Cache en voor het tonen van systeeminformatie, zoals
het versienummer van het TOS-besturingssysteem en de hoeveelheid
beschikbaar RAM-geheugen.

Status

Kies de Status-box om het versienummer en de datum van TOS op te
vragen. Daarbij worden ook het aantal bytes vrije geheugenruimte
en de totale geheugencapaciteit getoond.

Geluidssignalen

De computer kent twee soorten geluidssignalen: een bel na een
foutieve handeling op het toetsenbord of met de muis en een klik
na elke druk op een toets.

U schakelt deze signalen in of uit door op de bel- of toetsikoon
te klikken. Een geaccentueerde ikoon betekent dat de betreffende
functie is ingeschakeld.

Geluid

Als u alle geluidssignalen wilt uitschakelen, plaats de
muiswijzer dan op de Sound-box en klik erop. Verplaats de
muiswijzer tot het woord "Off" wordt geaccentueerd en geef nog
een klik.

Repeteersnelheid toetsenbord

Behalve [Shift], [Control], [Esc], [Caps Lock] en [Alternate]
heeft iedere toets een repeteerfunctie. Met de regelaar voor de
repeteersnelheid van het toetsenbord bepaalt u wanneer de toetsen
beginnen te repeteren en hoe snel dat gebeurt.

De bovenste schuifregelaar bepaalt op welk moment een toets
begint te repeteren. Als u de regelaar naar links verplaatst, zal
het repeteren eerder beginnen. Sleep de regelaar naar de gewenste
positie en laat de muisknop los.

De onderste schuifregelaar bepaalt hoe snel de toetsen repeteren.
Door de regelaar naar links te schuiven repeteren de toetsen
sneller. Sleep de regelaar naar de gewenste positie en laat de
muisknop los.

U kunt de nieuwe instellingen testen door een hoger volume in te
stellen en op de [spatiebalk] te drukken. Aan de klikjes kunt u
horen hoe snel de toetsen repeteren.

Klikrespons van de muis

Het is mogelijk de reactie van de MEGA STE op dubbelklikken aan
te passen. U kunt de respons vertragen door op een van de cijfers
te klikken die dichter bij het liggende muisje staan. Wilt een
snellere respons, klik dan op een vakje dat dichter bij het
rennende muisje staat.

U kunt de ingestelde responstijd testen in de hiervoor bestemde
testbox. Als u dubbel klikt met de ingestelde snelheid of
sneller, licht het hokje even op.

Modem Setup

De modempoorten aan de achterzijde van de computer zijn serile
RS232-poorten. Ze worden meestal gebruikt om via een modem met
andere computers te communiceren. De poorten zijn echter ook
geschikt voor de aansluiting van een serile printer of andere
apparaten met een RS232-interface.

Met Modem Setup kunt u de modempoorten instellen voor een modem
of een ander serieel apparaat. Raadpleeg de handleiding van het
apparaat dat u wilt aansluiten voor informatie over de in te
stellen parameters. De parameters die noodzakelijk zijn voor de
computer waarmee u communiceert worden ook wel het
communicatieprotocol genoemd.

Serial Port Selector

Met de Serial Port Selector geeft u aan welke van de beschikbare
serile poorten de actieve poort is. Kies de poort die u gebruikt
voor de aangesloten modem.

Baud Rate

Baud rate is een standaard eenheid voor de transmissiesnelheid,
de snelheid waarmee data tussen twee computers worden
uitgewisseld. Baud verwijst naar "bits per seconde". De hoogste
snelheid is 19.200 baud, de laagste 50 baud. De baud rate voor uw
modem en die voor de andere computer moeten gelijk zijn.

U stelt de baud rate in door op de pijltjes bij "Baud Rate" te
klikken. Houd de muisknop ingedrukt om de baud rates te doorlopen
tot de gewenste waarde wordt geaccentueerd en klik op die waarde.

Parity

In het Nederlands "pariteit". Als computers informatie via de
telefoon verzenden, bestaat altijd de kans dat een deel van de
informatie door storingen op de telefoonlijn niet goed overkomt.
Via de pariteit controleert de computer of de informatie zonder
fouten is ontvangen.

De pariteitsbit is een binair teken dat aan een groep bits wordt
toegevoegd om de som van alle tekens steeds oneven of even te
maken. Storingen in de data-overdracht kunnen worden herkend als
het aantal bits in een groep niet overeenkomt met de gekozen
pariteit (even of oneven). Afhankelijk van uw modem en die van de
andere computer kunt u kiezen tussen None (geen), Odd (oneven) of
Even. (Raadpleeg de handleiding bij uw modem voor
bijzonderheden).

Plaats de muiswijzer op de Parity-box en klik erop. Ga met de
cursor naar de gewenste pariteit en klik op de geaccentueerde
optie om deze te kiezen.

Bits/Char

Elk teken wordt als n byte in het geheugen opgeslagen. Een byte
bestaat uit acht bits. Afhankelijk van het apparaat waarmee uw
computer via de RS232-poort communiceert, kunt u het aantal bits
per teken veranderen.

Plaats de muiswijzer op het kader achter Bits/Char en klik erop.
Ga met de cursor naar het gewenste aantal bits per teken en klik
op de geaccentueerde optie om deze te kiezen.

Stop Bits

De stopbit geeft het einde van een asynchroon RS232-teken aan. In
het algemeen gebruikt u 1 stopbit, maar in bijzondere gevallen
moet u 1,5 of 2 stopbits gebruiken.

Plaats de muiswijzer op de box Stop Bits en klik erop. Ga met de
cursor naar het gewenste aantal stopbits en klik op de
geaccentueerde optie om deze te kiezen.

Flow Control

Met deze optie kiest u uit twee communicatieprotocols: Xon/Xoff
of RTS/CTS. Als u via de RS232-poort communiceert, moeten uw
computer en het andere systeem van elkaar weten wanneer ze moeten
beginnen en stoppen met het verzenden van informatie. Stel het
protocol zo in dat het overeenkomt met het protocol van het
andere systeem.

Plaats de muiswijzer op Flow Control en klik erop. Ga met de
cursor naar het gewenste protocol en klik op de geaccentueerde
optie om deze te kiezen.

Printer Setup

De configuraties in het CPX-programma Printer Setup gelden voor
het gehele systeem en verschaffen informatie aan alle
programma's. Of de informatie wordt geraadpleegd, hangt af van
het betrokken programma. Zo maakt de optie Print Screen van het
Options-menu wel gebruik van de printer setup-informatie, maar
andere utilities of programma's weer niet. Ga in de handleiding
van het betrokken programma na of de printer setup-informatie
wordt gebruikt.

N.B.: Een Atari SLM-laserprinter kan niet via het dialoogpaneel
Install Printer worden geconfigureerd. Raadpleeg de Atari SLM
Printer Emulator handleiding (geleverd bij de SLM-laserprinter)
voor meer informatie over de juiste instellingen. Als u zowel een
SLM-printer als een matrix- of letterwiel-printer op uw computer
hebt aangesloten, kunt u meestal in het programma het gekozen
printer-type aangeven. Als dit niet mogelijk is, moet u een van
de printer drivers uitschakelen.

U configureert uw printer door eerst het Printer Setup-
dialoogpaneel op te roepen. Daarin kunt u de verschillende
instellingen wijzigen door op het betreffende vakje te klikken en
vervolgens de gewenste instelling te kiezen.

Printer Type

U hebt de keuze uit: Dot (matrixprinter) of Daisy (letterwiel-
printer). Klik op de gewenste optie.

Color

U kunt hier kiezen uit B/W (voor zwart/wit ofwel monochrome
printers) en Color (voor kleurenprinters). Klik op de gewenste
optie.

Pixels/Line

Deze optie is bestemd voor grafische matrixprinters. Pixel staat
voor "picture element", ofwel beeldpunt. Bij matrixprinters is
een pixel een puntje (dot). In de grafische modus hanteren
matrixprinters een bepaald aantal pixels (puntjes) per regel. Als
u met een Atari dot matrix grafische printer werkt, kies dan de
instelling 1280. Werkt u met een Epson of daarmee compatibele
grafische matrixprinter, kies dan 960. Bij beide waarden wordt
uitgegaan van een regellengte van 8 inch (20,32 cm).

Quality

Deze optie dient alleen voor matrixprinters. Kies Draft voor
normaal matrixschrift. Kies Final voor afdrukken met
correspondentiekwaliteit.

Als u Draft kiest en de printer instelt op de grafische modus,
dan maakt de printkop n printgang over het papier. Voor
zwartere graphics kunt u beter Final kiezen. Dit houdt wel in dat
de printer twee printgangen over het papier moet maken, waardoor
het afdrukken twee keer zo lang duurt.

N.B.: U kunt Final alleen kiezen als uw printer over een NLQ-
modus beschikt (NLQ = Near Letter Quality).

Paper

Als uw printer een tractor feed of een single sheet feeder heeft,
kies dan Feed. Werkt u alleen met losse vellen papier die u zelf
moet invoeren, kies dan Single. Bij Single stopt de printer aan
het einde van iedere pagina.

Port

Gebruikt u een parallelprinter, kies dan Printer. Een
parallelprinter sluit u aan op de poort met het opschrift
"Printer" aan de achterzijde van de computer. Als u een serile
printer gebruikt, kies dan Modem. De printer moet dan op de poort
"Modem" (de RS232-poort) worden aangesloten.

N.B.: Bij de meeste serile printers moet de RS232-poort worden
geconfigureerd volgens het Xon/Xoff protocol (kies On). Daardoor
kan de printer de computer opdracht geven het verzenden van data
tijdelijk te onderbreken zodat hij de gelegenheid heeft de data
af te drukken. (Zie ook "Modem Setup" eerder in dit hoofdstuk.)

Sound Setup

Met het CPX-programma Sound Setup kunt u de balans, het volume,
de lage en de hoge tonen van de geluidsweergave instellen. U kunt
de huidige instelling opvragen door op het gezicht te klikken.

U kunt de instellingen aanpassen door met de scroll-pijlen de
verschillende opties te doorlopen, of door de muisknop ingedrukt
te houden en de scroll-box van de ene instelling naar de andere
te slepen.

Bij Balance stelt u in of de linker en de rechter luidspreker
geluidssignalen even sterk moeten weergeven. Met Bass en Treble
bepaalt de hoeveelheid lage en hoge tonen. Volume is voor de
regeling van de geluidssterkte.

Zorg dat de gewenste instelling is geaccentueerd en klik erop om
die instelling te kiezen.

Accelerator

Met de Accelerator kunt u de responssnelheid van de cursor op de
bewegingen van de muis instellen. De Accelerator bevat verder een
"screen saver".

U hebt de keuze uit drie instellingen voor de accelerator: uit,
snel en supersnel. Klik op de box voor uit als u de
responssnelheid van de cursor niet wilt vergroten en op de boxen
voor snel of supersnel als u de responssnelheid wel wilt
verhogen.

Voor het instellen van een nieuwe responssnelheid plaatst u de
muiswijzer op de gewenste instelling en geeft er een klik op.

De "screen saver" zorgt dat het scherm donker wordt als u
gedurende een bepaalde periode geen toetsen indrukt en ook de
muis niet gebruikt. Klik op de box voor de screen saver om die
functie te activeren. De schuifregelaar en de modemikoon
(telefoontoestel) worden nu ingekleurd weergegeven. Als de screen
saver niet geactiveerd is, verschijnt alleen de omtrek van deze
ikonen.

U kunt zelf opgeven hoeveel minuten na de laatste actie met het
toetsenbord of de muis het scherm donker zal worden. Daarvoor
gebruikt u de klokikonen aan beide uiteinden van de
schuifregelaar of u versleept de schuifregelaar naar een andere
waarde. Laat de muisknop los als de gewenste tijd in de scroll-
balk verschijnt.

Met de modemikoon geeft u aan of de screen saver rekening moet
houden met data-uitwisseling via de modem. Als de modemikoon
wordt geactiveerd, dan wordt het scherm niet donker zolang de
modem actief is. Is de modemikoon niet actief, dan wordt het
scherm na de ingestelde periode donker, ook als de modem op dat
moment data uitwisselt.
